menu

Daniël van de Ven’s passie voor fotografie en voor Rotterdam

In de Kunsthal is op zaterdagmiddag 19 oktober de fototentoonstelling ‘Voor altijd Rotterdam’ van fotograaf Daniël van de Ven geopend. In het goedgevulde auditorium van de Kunsthal werd het gelijknamige, prachtige boek met foto’s van de bijna 90-jarige fotograaf Daniël van de Ven uitgereikt door fotograaf Vincent Mentzel. Als de Heer van de Ven, zoals Mentzel hem in zijn inleidende verhaal consequent bleef noemen, zelf aan het woord is, wordt meteen duidelijk dat hier een zeer bijzondere Rotterdammer aan het woord is.

Natuurlijk mag ik bij Daniël van de Ven thuis langskomen om de verhalen die bij de foto’s horen nog eens uit zijn mond te vernemen. Rondkijkend vanuit zijn stoel met een kopje koffie vertelt hij dat zijn vrouw in augustus jl. is overleden maar dat hij al 4,5 jaar plezierig woont in het complex Akropolis van Humanitas Hillegersberg- Schiebroek. Het was moeilijk om het grote huis aan de Spoorsingel te verlaten en afscheid te nemen van zijn volledig betegelde studio met doka in de kelder en alles wat gedurende vijftig jaar verzameld in dat markante huis was.

Agfa Karat

‘Mijn interesse in de fotografie is ontstaan in de oorlog toen ik het fototoestel van mijn broer in zijn boekenkast zag liggen. Mijn broer was werkzaam in Duitsland en had mij ten strengste verboden aan zijn Agfa Karat te komen. Als een magneet werd ik naar het toestel toegetrokken en ik nam het mee naar school en maakte stiekem foto’s van de leraren in de klas. Door boeken te lenen uit de bibliotheek, had ik mezelf geleerd hoe je de camera moest bedienen. Gelukkig werd het nooit ontdekt en afgepakt. Mijn broer kwam erg verzwakt terug uit Duitsland waarde Amerikanen hem hadden verzorgd. Ook na thuiskomt stuurden ze hem nog extra voeding en ook glossy magazines met daarin prachtige foto’s.

Fotovakschool

Ik was vijftien jaar toen ik die beelden uit die magazines onder ogen kreeg en wist, dat wil ik ook. Fotograaf worden, op pad gaan met een camera om verhalen te vertellen met de beelden die ik zou maken. Ik wilde een vrije jongen zijn en het vak van fotograaf leren. Mijn moeder, die net als ik ontzettend van lezen hield, probeerde me te weerhouden om van af school te gaan. Ik vond dat ik daar nutteloze dingen moest leren, ik wilde toch niet mijn leven slijten achter een bureau. Uiteindelijk heb ik met mijn ouders een deal gesloten. Ik mocht naar de fotovakschool in Den Haag. Er was echter een klein probleempje, je moest wel werkzaam zijn bij een fotograaf om de cursus te mogen volgen. Alle fotografen uit het telefoonboek heb ik bezocht maar niemand wilde mij hebben. Totdat ik de naam Strauss stuitte, voor de oorlog bekend van het fotoatelier voor portretfoto’s en familieportretten in de Hoogstraat. Daar werden de mensen door een stoepier naar binnen gelokt en kwamen families uit de wijde omtrek voor een statiefoto. Maar deze heer Strauss hield bedrijf in een woonhuis in de Millinxstraat. Het was een gezellige dikke man met een hartelijke lach. Ik vertelde dat ik het vak wilde leren. Ik had natuurlijk geen enkele ervaring, maar blufte me door de eerste kennismaking heen. Hij kon namelijk zelf ook niet fotograferen, maar was een zoon van de Strauss aan de Hoogstraat en had als enige overlevende geprobeerd de zaak na de oorlog opnieuw weer draaiende te krijgen. Daarbij maakte hij gebruik van het atelier in Oud-Beijerland dat de Duitsers niet opgeëist hadden, doodeenvoudig omdat ze niet van het bestaan af wisten. Daar moest ik twee keer per week heen om rolletjes op te halen. Alles op vrijwillige basis, maar ik had wel een werkgeversverklaring en mocht zodoende naar de fotovakschool.

Eerste foto in de Waarheid

Nog tijdens mijn werk voor deze Strauss maakte ik mijn eerste foto, die in de krant gepubliceerd werd. Op de begraafplaats in Crooswijk werd in 1947 een Oekraïner herdacht die in 1937 als spion van Wit-Rusland was gedood toen hij met een bomkoffertje op de Coolsingel liep dat explodeerde. Op de, door de veiligheidsdienst, goed bewaakte begraafplaats, wist ik mij als ‘jochie’ van amper 17 jaar een onopvallend plaatsje te bemachtigen met de camera verstopt onder mijn jas. De foto werd gepubliceerd in de Waarheid. Toen ik de krant met de foto trots aan mijn vader liet zien, geloofde hij niet dat ik die gemaakt had. Dat ging hem boven de pet, dat ik zoiets gedaan kon hebben.

Ik rondde in 1947 de fotovakschool af, stopte met mijn werk bij Strauss en ik ging aan de slag als fotojournalist. Rotterdam was overzichtelijk voor fotografen. Het beroep vereiste dat je sportief was en niet alleen spierballen bezat maar ook lef had. Ik moest me overal en goed plekje zien te verschaffen of het nu op het voetbalveld was of op het bordes van het stadhuis bij het bezoek van Sir Winston Churchill. Altijd was ik op zoek naar het juiste frame voor het juiste plaatje. Je moest het geduld kunnen bewaren om op het juiste moment af te klikken. Goed letten op het licht en de schaduwen van passanten als je een opname in de stad maakte. Secuur zijn met de plaatsing van personen op het schip als zij met een verwachtingsvolle blik voor jouw lens verschenen vlak voor het vertrek naar een nieuw land en een nieuwe toekomst’.

Talloze malen heeft Daniël van de Ven, met een grapje of een vriendelijk gebaar zijn ‘modellen’ geprobeerd op hun gemak te stellen. Als vaste fotograaf van de Holland Amerikalijn heeft hij met ongelofelijk veel vakmanschap en precisie vastgelegd hoe de bouw van het SS Rotterdam verliep tot en met de tewaterlating waarbij hij als enige fotograaf het moment suprême vastlegde: de schuimende champagne op de boeg van het schip nadat koningin Juliana het koord had doorgehakt. Hij wist als enige dat na het moment met het bijltje er nog twee seconden voorbij zouden gaan tot de fles uiteen zou spatten. In die tijd werd er in de regio elke week wel een schip te water gelaten en Daniël van de Ven werkte voor RDM, Piet Smit, Lloyd en dus vooral vele jaren voor de HAL.

Passie

De passie waarmee hij me vertelt hoe hij bij het maken van de foto van een schip in de haven rekening hield met alle details, is typerend voor deze energieke 90-jarige. ‘Kijk, wijst hij, eerst zorgen dat er geen kranen achter het schip tevoorschijn komen dan letten op de stand van de vlaggetjes in top en het water dat tegen de boeg bruisend zijn weg vindt. Dat is toch prachtig, alles klopt gewoon.’

‘En dan ook nog eens zelf afdrukken natuurlijk. Heerlijk die uren beneden in mijn eigen kelder. De geuren van de doka, de spanning of een plaat er werkelijk zo mooi uit ziet als je verwacht. Bij sommige camera’s zie je het beeld ondersteboven tijdens het werken. Extra moeilijk om een goede opname te maken en vroeger had je natuurlijk minder platen of rolletjes bij je. Je moest een sterke sportieve jongen zijn om die vijf toestellen die ik altijd meenam te sjouwen. En handig met klauteren in kranen, in de benedenruimten van graanschepen, buitenboord hangend om toch maar het mooiste plaatje te kunnen schieten’.

Op bezoek bij Daniël van de Ven is een groot genoegen en hij verveelt zijn gast geen seconde. Met zijn prachtige foto’s en verhalen is nu dus een dik en groot boek gevuld dat een prachtig tijdsbeeld geeft van het naoorlogse Rotterdam. Niet alleen de beelden vertellen een verhaal, bij elke foto heeft Daniel ook een eigen verhaal. Al lezend wordt de lezer meegesleept in het avontuurlijke leven van een gepassioneerd kunstenaar, want dat mag je Daniël van de Ven toch echt wel noemen als je dit boek leest en de tentoonstelling bekijkt in de Kunsthal.

Het boek ‘Voor altijd Rotterdam’ is zeer stijlvol vormgegeven door Ad van der Kouwe van Manifesta Rotterdam. De uitgeverij is Scriptum, die na het maken van een eerder boek over de HAL, de foto’s van Daniël van de Ven zo de moeite waard vonden, dat zij hem dit eerbetoon op deze hoge leeftijd van harte gunden. De verhalen zijn opgetekend door Sandra van Berkum. De tentoonstelling in de (te kleine zaal) de Kunsthal, is nog te zien tot 26 januari 2020.

Daniël van de Ven heeft toegezegd graag een keertje in een Roterodamum Café ‘special’ te komen vertellen over foto’s uit zijn eigen grote map. Maar dan wel ‘t liefst voor een klein gezelschap van niet meer dan veertig personen, zodat hij gezeten in een kring kan vertellen over zijn werk en iedereen de foto’s van dichtbij kan laten bekijken.

Informatie over de tentoonstelling in de Kunsthal

Interview: Judith van Gilst

Lees verder